Gedragsproblemen bij kinderen

Tijdens de dagelijkse gang van zaken kunnen kinderen hun waarnemingsvermogen gebruiken en de drang krijgen om tijdens het diep ademhalen zichzelf te bezinnen en kunnen daarbij geïnspireerd raken. Dit kan hen een opgeruimd en hoopvol gevoel geven.
Door omstandigheden kan een kind ongeïnspireerd, terneergeslagen en wanhopig worden. Dit kan kinderen zo’n radeloos en benauwd gevoel geven dat ze heel hard gaan schreeuwen. Een kind dat zichzelf niet wil beklagen gaat dan onbewust het uithoudingsvermogen gebruiken en krijgt de drang te bewegen. Het zelfbevestigende gevoel dat daarbij ontstaat geeft kinderen de mogelijkheid zich te ontspannen, evenwichtig te zijn en een tevreden gevoel te krijgen.
Door hun bewegingen kunnen zij zich gespannen, onevenwichtig en ontevreden gaan voelen. Het kind dat zich daardoor beperkt voelt en spierpijn krijgt is genoodzaakt om stil te gaan zitten. Om de situatie te kunnen overleven gaan kinderen het voorstellingsvermogen gebruiken en krijgen de drang om beelden te vormen. Dit geeft hen het zelfrespect dat hen in staat stelt opgewekt, helder en rustig te zijn.
Deze beelden kunnen hen ook een neerslachtig, vaag en onrustig gevoel geven. Bij een kind kan er dan een gevoel van schaamte ontstaan met een jeukerige huid. Kinderen die wel krabbelen maar zichzelf niet willen verafschuwen gaan onbewust het uitstralingsvermogen gebruiken en krijgen de drang om te gaan snoepen en daarbij zelfbepalend te zijn.
Een kind kan dan ook buigzaam en optimistisch worden en een gevoel van veiligheid krijgen. Door de opmerkingen van een ander kan het kind een onbuigzaam en pessimistisch gevoel krijgen en zich onveilig gaan voelen. Kinderen kunnen daarbij angstig en mistroostig worden en gaan treuren. Om zichzelf niet af te wijzen kan er bij hen de overlevingsdrang ontstaan en gaan ze dan met behulp van het denkvermogen diep nadenken. Daarbij kunnen ze een zelfstandig, onafhankelijk, standvastig en voldaan gevoel krijgen. Zodra ze zich afhankelijk, onstandvastig en onvoldaan gaan voelen kunnen ze vertroebeld raken, vermoeid worden en wegdommelen.
Met behulp van het oordelend vermogen kan een kind zelfkritiek vermijden. De drang om veel te praten geeft kinderen het zelfvertrouwen om daarbij spontaan, vol vertrouwen en oprecht te zijn. Een kind kan door het commentaar van een ander zwijgzaam worden en vanuit een gevoel van wantrouwen onoprecht zijn. Kinderen die zich wazig gaan voelen raken verstijfd en zeggen niets meer. Een kind dat zichzelf niet wil veroordelen gaat dan het doorzettingsvermogen gebruiken en tijdens de maaltijden vanuit een overlevingsdrang veel eten. Kinderen kunnen zich dan niet alleen zelfverzekerd voelen, maar ook doelgericht, moedig en sterk zijn. Als iets hen niet smaakt krijgen ze een doelloos, moedeloos en zwak gevoel. Een kind kan zich daarbij schuldig gaan voelen, misselijk worden, en weinig eten.
Om zichzelf niet te beschuldigen gaan kinderen hun aanpassingsvermogen gebruiken en naar een ander luisteren. Hun zelfobservatie maakt het mogelijk om daarbij aandachtig, ontvankelijk en geïnteresseerd zijn. Als er iets tegen hen gezegd wordt dat hen tegenstaat, trekken ze zich terug, worden afwachtend en raken ongeïnteresseerd. Ze kunnen dan verkild en rillerig worden, waarbij ze zichzelf ook willen beschermen. Om een zelfvernedering te voorkomen kunnen kinderen het reproducerend vermogen gebruiken en vanuit hun overlevingsdrang besluiten kinderen iets te gaan doen wat ze al eerder gedaan hebben en gaan dan via hun herinneringen en geheugen

[.....]

Kinderen kunnen om

[.....]

Hun drang bezig te blijven geeft hen het zelfbesef dat hen in staat stelt verdraagzaam, kalm en geduldig te zijn. Door de opmerkingen of vragen van een ander kan een kind onverdraagzaam, opgejaagd en ongeduldig worden. Het kind dat daarbij ook een gevoel van onervarenheid krijgt, raakt dan geïrriteerd en wordt boos. Kinderen die haatgevoelens willen voorkomen gaan dan het empathisch vermogen gebruiken en vragen stellen aan die ander. Dit kan hen de zelfwaardering geven waarbij ze niet alleen invoelend en belangstellend zijn, maar zich ook betrokken gaan voelen. De antwoorden van die ander kunnen er toe leiden dat een kind in plaats daarvan afstandelijk, apathisch en afwerend wordt. Kinderen die zich daarbij eenzaam en lusteloos gaan voelen sluiten zich af. Om zichzelf niet te verloochenen gaat een hoogbegaafd kind met behulp van het abstractievermogen de gestelde vragen zelf onderzoeken.



Terug naar Het verband tussen het lichaam, de geest en de gevoelens



Home
Liet
Contact
Nagelaten teksten






Copyright © 2025, L.I.E.T.-therapie
URL: http://www.usdat.nl/liet-therapie/vermogens-gevoelens/gedragsproblemen.html
Contactgegevens bevinden zich op deze pagina