|
Pesten Kinderen kunnen vanuit hun snoepdrang het uitstralingsvermogen gaan gebruiken om zichzelf te beschermen. Zij willen zich daarbij buigzaam, optimistisch en veilig kunnnen voelen. Door een opmerking van een ander kan een kind zich onbuigzaam, pessimistisch en onveilig gaan voelen en gaan treuren. Kinderen die zich angstig en mistroostig gaan voelen kunnen dan de vanuit zelfmedelijden een ander gaan pesten. Daarbij kunnen ze de drang krijgen om bezig te blijven met pestende opmerkingen te maken. Het herinneringsvermogen geeft hen het zelfbesef dat hen in staat stelt verdraagzaam, kalm en geduldig te zijn. Deze kinderen kunnen dan door een buitenstaander geholpen worden met de vraag welke beelden er bij hen zijn opgekomen. Het kind dat zelfstandig wil zijn gaat bij die vraag het denkvermogen gebruiken en diep nadenken. Bij een onafhankelijk, standvastig en voldaan gevoel kan dat kind met zelfvertrouwen via het oordelend vermogen spontaan, vol vertrouwen en oprecht zeggen welke gedachten en beelden hen neerslachtig, vaag en onrustig hebben gemaakt. Kinderen die op den duur begrijpen dat het pesten samenhangt met een hun reactie te gaan treuren als zij zich neerslachtig, vaag en onrustig voelen. Zij kunnen dan met behulp het beschouwend vermogen vanuit hun zelfrespect besluiten om bij een treurig gevoel geven niet een ander te gaan pesten. Een vastberaden, enthousiast en energiek gevoel ondersteunt hen om dat besluit te verwezenlijken. Kinderen die niet kunnen begrijpen dat zij pesten omdat zij zich treurig voelen behouden deze innerlijke dwang. |
| Terug |